Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT3641

Datum uitspraak2005-10-04
Datum gepubliceerd2005-10-05
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02245/04 P
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontnemingszaak. Als middel van cassatie ex art. 437 Sv kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. In deze zaak is alleen van belang het vijfde middel dat is vervat in de in de drie samenhangende zaken ingediende schriftuur. Dat middel voldoet niet aan bovenbedoeld vereiste. Nu betrokkene tegen de onderhavige uitspraak niet binnen de wettelijke termijn een cassatieschriftuur heeft doen indienen, kan hij niet in het beroep worden ontvangen. De HR verklaart betrokkene niet-ontvankelijk.


Conclusie anoniem

Nr.02245/04 P Mr. Jörg Zitting 5 april 2005 Conclusie inzake: [verzoekster=betrokkene] 1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft op 30 januari 2004 aan verzoekster de verplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag te betalen van € 19.484,82. 2. Deze zaak hangt samen met de zaken onder nummer 02244/04 E (de strafzaak tegen [betrokkene]) en 02246/04 E ([verdachte]). 3. Namens verzoekster heeft mr. E.M. Richel, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.(1) 4. Het cassatiemiddel houdt niet meer in dat het ontnemingsarrest vernietigd dient te worden omdat verzoekster ten onrechte zou zijn veroordeeld. Voor de redenen waarom verzoekster dit zou zijn overkomen verwijst de steller van het middel naar de cassatiemiddelen, vier in totaal, die zijn ingediend tegen 's hofs arrest in de hoofdzaak. 5. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur, voor zover het zich richt tegen het ontnemingsarrest, voldoet niet aan dit vereiste (vgl. HR 14 januari 2003, nr. 00016/02 P, LJN: AF1193 waarin de cassatiemiddelen woordelijk gelijk waren aan de middelen van cassatie die tegen de veroordeling in de hoofdzaak waren voorgesteld met de aanvulling dat er gezien de onjuiste veroordeling geen wederrechtelijk voordeel was genoten). 6. Nu verzoekster niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511h Sv niet in acht genomen, zodat verzoekster in het beroep niet kan worden ontvangen. 7. Deze conclusie strekt ertoe verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 In drie samenhangende zaken is één cassatieschriftuur ingediend met vijf middelen. De schriftuur vermeldt uitdrukkelijk dat alleen het vijfde middel is gericht tegen het ontnemingsarrest.


Uitspraak

4 oktober 2005 Strafkamer nr. 02245/04 P AGJ/DAT Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, van 30 januari 2004, nummer 20/001930-02, in de strafzaak tegen: [betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Breda van 15 maart 2002 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 19.484,82. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. E.M. Richel, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. In deze zaak is alleen van belang het vijfde middel dat is vervat in de in de drie samenhangende zaken ingediende schriftuur. Dat middel voldoet niet aan bovenbedoeld vereiste. 3.2. Nu de betrokkene tegen de onderhavige uitspraak niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen. 4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 oktober 2005.